Waarom is biologische landbouw gentechvrij?

Als je bio koopt, weet je zeker dat er geen gentech is gebruikt. De meeste Europese burgers eten liever geen genetisch gemodificeerd voedsel. In de biologische landbouw is het verboden. Om planten te veredelen maakt biologische landbouw gebruik van natuurlijke veredeling, die robuuste en duurzame resultaten geeft. Gentechnologie is in de landbouwpraktijk vooral ingezet door voormalige chemiebedrijven om meer pesticiden te kunnen verkopen en controle te krijgen over zaden. Dit leidt tot grootschalige monoculturen, superonkruiden, superplagen en gezondheidsrisico's voor mensen en dieren.

De wereld voeden?

Voorstanders van gentechnologie gebruiken keer op keer het argument dat gentechnologie de potentie heeft om de honger in de wereld op te lossen. Deze uitspraak is echter niet op feiten gestoeld. Ondanks de productieverhoging sinds de jaren '50 is de honger in de wereld sterk toegenomen. Gentech heeft bovendien niet tot productieverhoging geleid (zie "De praktijk van gentech"). En er bestaat een betere techniek, die veiliger, robuuster en ecologisch verantwoord is, en die zich al eeuwenlang bewijst: natuurlijke veredeling. Met natuurlijke veredeling kunnen resistente rassen gekweekt worden, de opbrengst kan worden verhoogd en er kunnen droogteresistente rassen worden gerealiseerd. Natuurlijke veredeling past veel beter bij biologische landbouw, waarin geen kunstmest en pesticiden worden gebruikt, omdat deze veredeling in de eerste plaats op de akker plaatsvindt en niet in het laboratorium. Een van de grote praktische voordelen van natuurlijke veredeling is dat het deels door boeren zelf kan worden gedaan. Natuurlijke veredeling wordt niet gecontroleerd door bedrijven die grote belangen hebben bij het verkopen van agro-chemische producten, zoals het geval is in de gentechsector.

Gentech in de praktijk

Men zegt vaak dat gentech handig is om de productie van gewassen te verhogen, minder pesticiden te gebruiken, beter bestand te zijn tegen klimaatverandering, enzovoort. De praktijk van gentechnologie in de afgelopen 30 jaar toont iets totaal anders. De cijfers laten zien dat gentechnologie in de afgelopen 30 jaar niet heeft geleid tot gewasssen met een hogere productie. Er zijn hoofdzakelijk twee toepassingen gerealiseerd, die hebben geleid tot een explosieve stijging van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, monoculturen en landbouwgebieden die qua biodiversiteit vergelijkbaar zijn met woestijnen. 

In de eerste toepassing worden voedselgewassen bestendig gemaakt tegen Roundup, een agressieve onkruidverdelger op basis van glyfosaat. Boeren kunnen dan glyfosaat inzetten om alle planten op een akker te vernietigen; alleen het genetisch gemodificeerde gewas (meestal maïs) blijft leven. Afgezien van de intuitieve afkeer die dit opwekt, heeft de grootschalige inzet van Roundup in amerika geleid tot het ontstaan van "superonkruiden", die nauwelijks te bestrijden zijn, behalve met de zwaarst mogelijke middelen.

In de tweede grote toepassing wordt een bepaald gen (het Bt-gen) ingebouwd waardoor een gewas zelf het insecticide (Bt) gaat produceren. Bt-katoen is een bekend voorbeeld. De theorie is dat de boeren dan minder pesticiden hoeven te spuiten. In de praktijk ontstaan er zogenaamde "superplagen". De boeren moeten dan alsnog pesticiden inzetten om iets van hun oogst te redden; ook dan worden vaak weer ouderwetse, zware middelen gebruikt.

De inzet van gentechzaden gaat in de praktijk gepaard met grootschalige monocultuur, bodemverarming, en wurgcontracten voor boeren, die in een land als India al tot honderdduizenden zelfmoorden onder boeren hebben geleid. Het is niet te verwachten dat hier op korte termijn verandering in komt. De grote bedrijven die gentechgewassen ontwikkelen, komen voort uit de chemische industrie en hebben dus belang bij het in stand houden van industriële landbouw met zoveel mogelijk inzet van chemisch-synthetische middelen.

Zaadmonopolies

Sinds begin jaren '80 heeft een doorlopende consolidatie plaatsgevonden in de zadensector. Grote zaadbedrijven zoals Monsanto en Syngenta kopen op grote schaal kleinere zaadbedrijven op. Op dit moment is meer dan 75% van alle beschikbare commerciële zaden in handen van 5 bedrijven. Bovendien vragen deze bedrijven in razendsnel tempo patenten aan op allerlei mogelijke genencombinaties, zelfs op genencombinaties die in de natuur voorkomen. Op deze manier proberen ze verregaande controle te krijgen over de wereldwijde voedselmarkt.

U bent hier